Een klimaatwet geeft kader en ruimte voor initiatieven van onderaf

Albert Faber, stafmedewerker WRR

Klimaat staat weer prominent op de beleidsagenda. Afgelopen maand bij de Nationale Klimaattop in Rotterdam, vlogen de ideeën, initiatieven en convenanten ons om de oren. Er zijn voorstellen voor een klimaatwet, een investeringsfonds, een klimaatcommissaris wellicht, en in het nieuwe kabinet natuurlijk een klimaatminister. De WRR deed zelf een duit in het zakje met de policy brief ‘Klimaatbeleid voor de lange termijn, van vrijblijvend naar verankerd’. In deze publicatie wordt ter verankering van het klimaatbeleid een klimaatwet voorgesteld, aangevuld met een klimaatautoriteit. Ligt het gevaar op de loer dat deze initiatieven ontsporen tot een vorm van big government? Of kunnen we een logica aanbrengen in alle ideeën en voorstellen?

Beleid is niet neutraal
Beleid is nooit neutraal. Er is altijd sprake van een voorkeur op grond van tijdgeest en idee over wat de overheid vermag. We zien die voorkeuren terug in de geschiedenis van het milieubeleid. In de jaren negentig kende het milieubeleid een sterke voorkeur voor top-down planningsinstrumenten, zoals het nationaal milieubeleidsplan. Dat legde stevige ambities vast, in combinatie met gedetailleerde plannen van aanpak. Later lag de nadruk op meer marktgerichte instrumenten, zoals het handelssysteem voor emissierechten van broeikasgassen. Hierin spreekt de rationaliteit van de markt. Tegenwoordig ziet de overheid in de burgers en bedrijven van de ‘energieke samenleving’ de motoren voor verandering. Het is niet toevallig dat het op de Nationale Klimaattop wemelde van de coalities, convenanten en manifesten, soms zonder specifieke rol voor de overheid. Dit sluit aan bij een instrument als het Energieakkoord, waarin betrokken partijen elkaar aanspreken op concrete acties en gezamenlijk via een borgingscommissie toezien op de naleving daarvan.

Verschuiving
We zien in het beleid dus een geleidelijke verschuiving van staat naar markt naar samenleving. Al deze vormen hebben hun eigen kracht én tekortkomingen. Het staatgerichte beleid overschat nogal eens de invloed van de overheid en leidt niet zelden tot hoge regeldruk. Het marktgerichte beleid overschat meestal het rationalisme van de mens als consument, en is bovendien vatbaar voor lobby en tegendruk. Waar de ‘energieke samenleving’ aan bod is schuift de overheid haar verantwoordelijkheid soms af, terwijl die juist nodig is bij de aanpak van collectieve en complexe vraagstukken.

Hoe kan klimaatbeleid nu effectief vorm krijgen tussen de valkuilen van staat, markt en samenleving?

Kader voor complexiteit
Dat begint bij de erkenning van het klimaatprobleem als buitengewoon complex vraagstuk. De uitstoot van broeikasgassen is diep geworteld in onze maatschappelijke routines. Zo’n vraagstuk laat zich niet vangen in een eendimensionale aanpak. Klimaatbeleid dat rekenschap geeft van complexiteit vaart een koers tussen markt, staat en samenleving, en kiest daarbij uit de volle gereedschapskist van beleidsinstrumenten.

Dat wil niet zeggen dat anything goes. Complexiteitsbewust klimaatbeleid vereist heldere kaders. Deze kunnen worden geformuleerd in de vorm van ambities of streefbeelden, bijvoorbeeld: “in 2050 is Nederland CO2-neutraal”. Een dergelijke ambitie geeft als het ware het speelveld aan voor alle wilde ideeën en technieken die kunnen helpen om de ambitie te realiseren. Complexiteitsbewust klimaatbeleid begint bij zulke duidelijke ambities, die de stabiliteit en zekerheid bieden voor meer specifieke maatregelen en voor initiatieven van onderaf.

Klimaatwet
In het Nederlandse klimaatbeleid is deze stabiliteit nog geen gegeven. De waan van de dag ligt altijd op de loer. Een wettelijk vastgelegde doelstelling voor de lange termijn zou daarom zinvol zijn. Wetgeving creëert commitment voor de belangrijkste speler, de overheid, en daarmee de broodnodige zekerheid voor andere spelers. Dat is een belangrijk argument voor een klimaatwet, zoals bijvoorbeeld Groot-Brittannië en Finland die al kennen. Een slim vormgegeven klimaatwet geeft een kader in de vorm van een heldere doelstelling voor broeikasgasreductie, liefst in de vorm van een emissiebudget.

Klimaatautoriteit
Tevens biedt een klimaatwet de instituties en de processen die nodig zijn om de doelstelling te halen. Zo kan er nagedacht worden over de instelling van een ‘klimaatautoriteit’, als wettelijk scheidsrechter voor het bewaken van de gestelde doelstellingen. In het Britse systeem heet dit de Committee on Climate Change (CCC). Bij de recent voorgestelde uitbreiding van vliegveld Heathrow gaf de CCC aan de Britse overheid meteen de opdracht om een strategie uit te werken voor aanvullende emissiereducties. Dat dwingt de overheid tot expliciete keuzes. Uitbreiding vliegveld? Prima, maar het emissiebudget is beperkt, dus compensatie elders.

Geen big government
Het is van belang te benadrukken dat een dergelijke institutionele structuur geen terugkeer betekent naar een al te statelijke vormgeving van beleid. Het is geen big government van een overheid die tot in detail alles regelt. Een klimaatwet in deze vorm doet juist recht aan de complexiteit van het vraagstuk. Door de grenzen van het speelveld duidelijk af te bakenen en te bewaken, zonder van bovenaf aan burgers en bedrijven instructies voor handelen te geven. Dit is in lijn met aanbevelingen die de WRR doet in de onlangs verschenen policy brief ‘Klimaatbeleid voor de lange termijn: van vrijblijvend naar verankerd’. Juist vanwege de complexiteit van het klimaatvraagstuk zijn borging en bewaking van groot belang.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Participatie en sociale cohesie in de Schilderswijk

Elmar Smid, Laura Mulder en Ellen Wiering, stagiairs WRR

De Haagse Schilderswijk is in Nederland een befaamde, zo u wilt beruchte, wijk. Waar er voorheen met name autochtone Nederlanders in de wijk woonden, is de wijk tegenwoordig een stuk diverser geworden. De WRR is in het kader van het project ‘Migratiediversiteit’ op werkbezoek gegaan bij verschillende organisaties die dagelijks met die diversiteit te maken krijgen, om te onderzoeken hoe zij met die toenemende diversiteit omgaan. Onder leiding van Schilderswijker Peter Duivesteijn zijn we langsgegaan bij een buurthuis, een maatschappelijke organisatie en een brede scholengroep, die ook internationale schakelklassen aanbiedt. Wij vroegen hen wat voor beleid zij zelf hanteren, tegen welke problemen ze aanlopen en waar zij kansen zien met betrekking tot de toenemende diversiteit in hun wijk. Door middel van dit weblog delen wij enkele bevindingen.

City Mondial
Om een beeld te krijgen van de Schilderswijk en haar geschiedenis heeft de directeur van City Mondial, Peter Duivesteijn, ons rondgeleid door de wijk. Daarbij gaf hij aan dat er de laatste jaren een hoop is verbeterd qua voorzieningen. Daarnaast is er weinig winkelleegstand en worden huurwoningen snel weer verhuurd. Duivesteijn merkt op dat mensen graag wonen en werken in de wijk, maar dat er tussen de etnische groepen niet veel “samen wordt geleefd.”

Buurthuis De Mussen
In het oudste buurthuis van Nederland sprak de WRR met directrice Nicoline Grötzebauch. Het pand waarin De Mussen gevestigd is staat midden in de wijk en buurtbewoners van verschillende achtergronden maken er gebruik van. Het buurthuis focust met de activiteiten die ze organiseert op participatie, sport en gezondheid en kunst en cultuur. Zo organiseren zij onder andere huiswerkbegeleiding, sporttoernooien, taalcursussen, opvoedcursussen voor moeders en thema-avonden over radicalisering. Grötzebauch’s centrale boodschap is dat er geïnvesteerd moet worden in jongeren en voorzieningen. Jongeren uit de Schilderswijk worden volgens haar gediscrimineerd, ook al hebben ze goede opleidingen afgerond. Het gebrek aan succesverhalen en rolmodellen uit de eigen omgeving helpt de radicalisering van sommige jongeren in de hand. Het bieden van perspectief voor hen benoemt ze als uitdaging.

Op de vraag hoe het buurthuis omgaat met de verschillende etnische achtergronden van de buurtbewoners antwoordt Grötzebauch dat er soms gescheiden activiteiten worden aangeboden, waar alleen jongens of meisjes aan deelnemen (maar meisjes kickboksen ook gewoon). Een enkele keer wordt er onderscheid gemaakt op etniciteit, omdat bijvoorbeeld hindoestanen en Marokkanen minder goed samen lijken te gaan. Mainstreaming als beleid van de overheid werkt volgens Grötzebauch niet, omdat dan de jongeren uit de Schilderswijk dan niet worden bereikt. Een ander knelpunt waar Grötzebauch tegen aanloopt is de financiering van activiteiten in het buurthuis op projectbasis. Vechten voor een budget kost veel tijd en lange termijn projecten raken eerder ondergesneeuwd.

Multiculturele vrouwenorganisatie Stichting Steunpunt Sabr
Vervolgens is de WRR ontvangen in de huiskamer van de Multiculturele vrouwenorganisatie Stichting Steunpunt Sabr, waar we spraken met directrice Karima Sahla. Het steunpunt biedt vrouwen uit de Schilderswijk een laagdrempelige mogelijkheid om elkaar te ontmoeten en met elkaar te spreken over problemen. Voor veel van deze vrouwen is de stap naar reguliere hulpverlening te groot, ook omdat deze instanties onbekend voor hen zijn. Steunpunt Sabr bereikt vrouwen van verschillende etniciteiten, maar bovenal Marokkaanse vrouwen. Bezoekers van het Steunpunt kunnen deelnemen aan praatgroepen, aan taal- of opvoedingscursussen, of krijgen hulp bij het opzetten van een eigen onderneming. Daarnaast organiseert de stichting uitstapjes om de horizon van deze vrouwen te verbreden, aangezien een deel van hen niet vaak buiten de buurt komt.

Sahla deelt de zorg van Grötzebauch dat er voor jongeren in de Schilderswijk weinig perspectief is. Velen voelen zich zelfs tweederangs burgers. Daarnaast uit ze haar zorgen over opvoedproblemen, straatcultuur, (religieuze) identiteit en armoede in de wijk. Volgens Sahla bestaat de oplossing er uit om de kwaliteiten die jongeren hebben die in de Schilderswijk wonen te benutten. Daar ziet zij onbenutte kansen. Volgens Sahla heeft het mainstream beleid van de overheid ervoor gezorgd dat de overheid niet meer in de haarvaten van de wijk zit. Hierdoor is er minder zicht binnen de overheid op wat er speelt in de Schilderswijk. Nieuwe maatschappelijke problematiek vereist daarom volgens haar zelforganisatie van bewoners van de wijk.

Johan de Witt Scholengroep
Ten slotte heeft de WRR gesproken met directieleden Hans Huizer en Anne Segeren van de Johan de Witt Scholengroep. Deze scholengroep biedt onderwijs aan op verschillende locaties en op verschillende niveaus, waaronder aan kinderen van (arbeids)migranten in Internationale Schakelklassen en sinds kort ook aan minderjarige vluchtelingen. Als het op omgaan met diversiteit aankomt is Huizer er stellig in dat kinderen vooral een goede opleiding in een school zoeken en dat die kerntaak op orde moet zijn. De kwaliteit van en eisen aan het onderwijs mogen niet verlaagd worden, randomstandigheden moeten door andere organisaties buiten de school verholpen worden. Door deze aanpak zijn de onderwijsresultaten van de Johan de Witt Scholengroep de laatste vier jaar aanzienlijk verbeterd, terwijl de school eerder een imago van een ‘zwarte school’ had, met bijbehorende slechte resultaten.

Voor Huizer zijn Nederlandse waarden en normen leidend op de scholen. Huizer omschrijft het als volgt: “We dealen met verschillen, maar we richten ons er niet op en handelen er niet naar.” De scholengroep is wel partner in een stakeholdersgroep met basisscholen, de politie, buurtcentra en de gemeente, bijvoorbeeld om problemen in de wijk of signalen van radicalisering tijdig aan te kaarten, en waar mogelijk initiatieven te nemen om situaties in de wijk te verbeteren.

Op het gebied van onderwijs geven aan de voornamelijk Syrische en Eritrese vluchtelingenkinderen is het passen en meten. Sommige leerlingen kampen met trauma’s, zijn af en toe zelfs analfabeet en hebben een gebrek aan structuur. Voor Segeren ligt de prioriteit bij het geven van onderwijs, zo goed als dat kan. De Scholengroep kan en wil de sociale problemen van deze jongeren niet zelf oplossen. Huizer stelt voor om een speciaal MBO 1 en 2 traject voor net volwassen jonge asielzoekers te creëren, omdat ze niet gemixt kunnen worden met reguliere leerlingen in de puberleeftijd nadat ze de vluchtelingenklassen hebben doorlopen. Daarover, en over leer-werktrajecten voor deze groep, moeten afspraken gemaakt worden met ROC’s.

Ten slotte zijn de Internationale Schakelklassen van de scholengroep bedoeld om kinderen van migranten binnen ruim een jaar door te laten stromen naar het reguliere onderwijs. Het gaat om kinderen van onder andere Poolse en Bulgaarse arbeidsmigranten tot aan kinderen van ambassadepersoneel. De scholengroep heeft er voor gekozen om, naast Nederlands, ook te onderwijzen in andere vakken, zodat daarin geen achterstanden ontstaan. Als knelpunt geeft Huizer aan dat onderwijzen aan deze speciale doelgroepen wel problemen oplevert met de kwaliteitskaart-systematiek van de Rijksinspectie voor Onderwijs. Als de doorstroomsnelheid van twee jaar die voor een normale VMBO opleiding staat in deze klassen niet wordt gehaald, omdat een leerling nog met een taalachterstand kampt, wordt daardoor de kwaliteitskaart van de reguliere opleidingen negatief beïnvloed. Net als Grötzebauch en Sahla, onderkennen Huizer en Segeren dat jongeren uit de Schilderswijk worden gediscrimineerd. Bijvoorbeeld als ze zoeken naar een stage of een baan.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

Internationale migratie en de noodzaak van een flexibele woningvoorraad

Godfried Engbersen, WRR-raadslid

Nieuwe vormen van flexwonen voor arbeidsmigranten en asielzoekers met een status zijn hard nodig als we kijken naar de omvang en aard van internationale migratie. De bevolkingsprognose 2014-2060 van het CBS laat zien dat internationale immigratie een blijvend kenmerk is van de Nederlandse samenleving. Er wordt voorspeld dat vanaf 2020 jaarlijks 50.000 arbeidsmigranten blijven arriveren: laag-, middelbaar- en hoogopgeleiden die vaak maar tijdelijk in Nederland verblijven. Een tuinbouwgebied als het Westland is grotendeels afhankelijk van duizenden tijdelijke arbeidskrachten.

Naast arbeidsmigranten zullen asielmigranten blijven komen. Het CBS voorspelt een jaarlijkse instroom van 8.000 na 2020. Dat is aan de lage kant. Naar verwachting zullen in 2015 rond de 50.000 personen asiel aanvragen in Nederland. Dat heeft grote gevolgen voor huisvesting, omdat een ruime meerderheid van de huidige asielzoekers (vooral afkomstig uit Syrië en Eritrea) een verblijfsvergunning verwerft. Van alle asielverzoeken die in de eerste drie kwartalen van 2015 in eerste aanleg werden afgedaan ging het in 70% van de gevallen om een inwilliging. Voor Syriërs en Eritreërs lag het inwilligingpercentage in 2014 boven de 90%. Na inwilliging hebben statushouders recht op huisvesting.

Om al die mensen te herbergen zijn nieuwe woningen nodig. Het is duidelijk dat het reguliere aanbod aan sociale huurwoningen niet voldoende is. Daarnaast wil de Rijksoverheid de huidige voorrangspositie van statushouders in het kader van de Huisvestingswet laten vervallen. Daar is veel voor te zeggen met het oog op het maatschappelijk draagvlak onder de bevolking.

Er moeten dus nieuwe woningen bijkomen. En wat mij betreft veel flexwoningen. Die kunnen voor asielmigranten een startwoning zijn. Interessant zijn vooral die projecten interessant waarbij meerdere groepen terecht kunnen, niet alleen arbeidsmigranten of statushouders, maar bijvoorbeeld ook studenten. Internationale studiemigratie neemt ook toe en zal van een substantieel niveau zijn na 2020 (ongeveer 20.000 studenten op jaarbasis). Zo ontwikkelt de gemeente Den Haag een business case om het voormalige Ministerie van SZW te transformeren naar een locatie voor de opvang van statushouders. In het pand komen ook andere groepen (waaronder studenten) te wonen en zal er tevens ruimte zijn voor startende ondernemers.

De aandacht voor flexwonen sluit aan bij een tijdsgewricht waarin mensen mobieler zijn, arbeidsmarkten flexibeler, en tijdelijk verblijf belangrijker is geworden. Er is meer en meer sprake van een “constant komen en gaan” van migranten. Volgens het project migratiediversiteit dat ik met collega Mark Bovens leidt bij de WRR, telt de stad Den Haag meer dan 51% allochtonen. Ze komen uit meer dan 202 herkomstlanden. En zoals gezegd een deel van hen is er maar tijdelijk. Dat geldt voor de expats, maar ook voor studenten en voor veel laag- en middelbaar geschoolde arbeidsmigranten. Om deze groepen te herbergen is een flexibele woningvoorraad nodig die niet afhankelijk is van bastaardinstituties.

Dit is een ingekorte versie van de column die Godfried Engbersen uitsprak bij de uitreiking van de Inspiratieprijs Flexwonen 2015.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Aantrekken en behouden van hoogopgeleide kennismigranten

Laura Mulder, stagiaire WRR

De Brainport regio Eindhoven is door zijn kennisindustrie en grote innovatiekracht een belangrijke pijler van de Nederlandse economie. Een blijvende uitdaging voor de regio is het aantrekken van goed gekwalificeerd personeel. Op de nationale arbeidsmarkt is er naast schaarste aan technisch personeel, ook sprake van een mismatch tussen vraag en aanbod. Aangezien er in Nederland niet voldoende specialistisch personeel geworven kan worden, richten steeds meer werkgevers zich op de internationale arbeidsmarkt. Wij hebben met enkele organisaties gesproken die zich bezig houden met het aantrekken en behouden van (inter)nationale kenniswerkers.

ASML

ASML is een van de bedrijven die een grote vraag naar technisch personeel heeft. Om de internationale concurrentiepositie te behouden en innovatie in stand te houden, is getalenteerd technisch en specialistisch personeel een absoluut vereiste. Met Monique Mols (community relations manager) hebben wij gesproken over het aantrekken en behouden van gespecialiseerde (internationale) kenniswerkers. Om de bekendheid van ASML bij potentiele werknemers te vergroten, voert ASML actief arbeidsmarktcampagnes in binnen- en buitenland. In Nederland bezoekt ASML bijvoorbeeld regelmatig middelbare scholen om jongeren enthousiast te maken voor technologie. Door het organiseren van speciale dagen probeert ASML ook meisjes te enthousiasmeren voor een technische loopbaan. Daarnaast is ASML heel aanwezig bij de technische studierichtingen op universiteiten. Hoewel het aantal studenten techniek momenteel toeneemt, is het chronisch tekort aan technisch personeel door dergelijke campagnes tot op heden echter niet verholpen. Hierdoor is ASML genoodzaakt om in het buitenland personeel te werven, wat voornamelijk gebeurt via universiteiten en detacheringsbureaus. Ook organiseert ASML jaarlijks een PhD masterclass waaraan getalenteerde PhD studenten van over de hele wereld deelnemen. In de strijd om technisch personeel moet ASML het opnemen tegen Silicon Valley en andere aantrekkelijke plekken waar de voorzieningen en het leefklimaat beter zijn dan in de regio Eindhoven. ASML probeert zich te onderscheiden door in te zetten op de hoogwaardige technologie en het uitdagende werk dat ASML kan bieden.

Brainport Development

Om de internationale concurrentiepositie van de regio Eindhoven te verbeteren probeert Brainport Development de Brainport regio te versterken. Brainport Development is een samenwerkingsverband tussen het bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden. Brainport ontwikkelt een regionale economische strategie en ondersteunt het regionale innovatieve bedrijfsleven met advies, financiering en huisvesting in hightech bedrijvencentra. Wij spraken met Yvonne van Hest (programma manager) en Anne Verhaag (project manager) over de werkzaamheden van Brainport Development, en richtten ons met name op het aantrekken en behouden van hoogopgeleide (internationale) kenniswerkers. Een van de problemen waar Brainport zich – in nauwe samenwerking met onderwijs, bedrijfsleven en overheden – voor in zet, is de blijvende schaarste en mismatch op de arbeidsmarkt. Dit doet zij onder andere door meer belang te hechten aan technologische vakken in het onderwijs. Naast het promoten van technologie is Brainport van mening dat er meer adaptiviteit nodig is in het onderwijssysteem. Een voorbeeld is het stimuleren van meer ondernemend, onderzoekend en ontwerpend leren (‘3-O leren’). Daarnaast zet Brainport Development zich actief in om (internationale) kenniswerkers aan te trekken. Hiertoe heeft zij ‘het Brainport Talent Centre’ ingericht. Dit is een programma waarin werkgevers samenwerken als het gaat om het aantrekken van (internationaal) talent. Deze werkgevers ‘delen’ talent met elkaar, door goede kandidaten naar elkaar door te verwijzen via het gezamenlijke platform de ‘TalentBOX’. Momenteel zijn zo’n dertig werkgevers partner van het Talent Centre.

Holland Expat Center South

Na het aantrekken van internationale kenniswerkers, is het belangrijk om hen goed te laten landen én te behouden. Hierbij speelt Holland Expat Center South een belangrijke rol. Wij spraken met Kris De Prins (directeur). Holland Expat Center South is een overheidsinstantie voor internationals die o.a. via de kennismigrantenregeling naar Nederland zijn gekomen en zich vestigen in Limburg of Noord-Brabant. Naast kennismigranten kunnen ook wetenschappelijk onderzoekers, zoekjaar afgestudeerden, een deel van de EU-burgers en hun familieleden de formaliteiten via het expat center regelen. Het expat center kan gezien worden als een one-stop-shop waar alle administratieve zaken met overheidsinstellingen (bijv. BRP of IND) binnen het expat center geregeld kunnen worden. Het expat center verwijst kennismigranten door naar private partijen, zoals makelaars, banken, verzekeraars en taalinstellingen. Een andere taak van het expat center is om kennismigranten tijdens themabijeenkomsten te informeren over uiteenlopende relevante onderwerpen, zoals belastingaangifte of de Nederlandse cultuur. Daarnaast worden de wensen en behoeften van expats geïnventariseerd en wordt er zo nodig een project geformuleerd, zoals het SGE International (gezondheidscentrum) en het Spouse Support Program. Uit contact met de internationale gemeenschap is bijvoorbeeld gebleken dat zij problemen ervaren met betrekking tot de taal. Zo is het merendeel van de communicatie van de overheid in het Nederlands en is het culturele aanbod voornamelijk in het Nederlands. Verder voert het expat center– samen met andere expat centra en de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) – lobby in Den Haag om de procedures en regelgeving omtrent kennismigranten en hun werkgevers te verbeteren.

Gemeente Eindhoven

Ook de gemeente Eindhoven zet zich in om de (internationale) kenniswerkers te behouden. Dit doet de gemeente door het voorzieningenniveau van de stad aan te passen aan de wensen en behoeften van de kenniswerkers. Zo heeft de gemeente bijvoorbeeld de International School Eindhoven opgericht om internationaal onderwijs te bieden aan de kinderen van expats. Tegelijkertijd moet de gemeente echter de wensen van de lager opgeleiden niet uit het oog verliezen. Met Staf Depla (wethouder Economie, Werk en inkomen, en Beroepsonderwijs) en Sala Besic (strategisch adviseur) spraken wij over het bij elkaar houden van de twee snelheden in de stad: enerzijds de hoogopgeleide (internationale) kenniswerkers, anderzijds de lager opgeleiden die weinig met de internationalisering van doen hebben. Om verdeeldheid in de stad te voorkomen voert de gemeente daarom een tweesporenbeleid: het beleid richt zich zowel op hoogopgeleide kenniswerkers, als op de lager opgeleide inwoners. Door het voorzieningenniveau van de stad te verhogen, zullen er bijvoorbeeld meer banen gecreëerd worden voor lager opgeleiden. Ook probeert de gemeente meer banen voor lager opgeleiden te creëren door het MKB te versterken en bedrijven te stimuleren tot ‘reshoring’. De gemeente zet verder in op het tegengaan van segregatie in het onderwijs en het stimuleren van het samen opgroeien van Eindhovenaren met verschillende achtergronden, onder andere door het samenvoegen van de kinderopvang en voorschoolse educatie. De lager opgeleiden zouden verder profiteren van de kennisindustrie door middel van evenementen als Glow en Dutch Design Week.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Omgang met Midden- en Oost-Europese migranten

Laura Mulder, stagiaire WRR

Sinds de uitbreiding van de EU in 2004 en 2007 en het wegvallen van de tewerkstellingsvergunning in respectievelijk 2007 en 2014, hebben substantiële groepen Midden- en Oost-Europese arbeidsmigranten zich gevestigd in Nederland. In het kader van het project ‘Migratiediversiteit’ is de WRR in gesprek gegaan met verschillende organisaties die te maken krijgen met deze arbeidsmigranten. Zo hebben wij gesproken met uitzendbureaus, werkgevers, maatschappelijke organisaties, de gemeente Westland en een basisschool. Tijdens de gesprekken is voornamelijk stil gestaan bij de knelpunten en kansen die de organisaties ervaren bij de komst en aanwezigheid van (arbeids-)migranten uit Midden- en Oost-Europa. In deze blog brengen wij u op de hoogte van enkele belangrijke punten die aan bod zijn gekomen.

OTTO Workforce

Met Frank van Gool (directeur van het uitzendbureau OTTO Workforce) hebben wij gesproken over de kansen en knelpunten rond de werving van arbeidsmigranten. OTTO Workforce vult arbeidstekorten in het ene land aan met arbeidsoverschotten in een ander land en is inmiddels één van de grootste internationale arbeidsbemiddelaars in Europa. OTTO Workforce is met name actief in Nederland, Duitsland en Polen, maar heeft ook vestigingen in andere Midden- en Oost-Europese landen. In anticipatie op mogelijk toekomstige wervingsproblemen oriënteert OTTO Workforce zich momenteel op andere potentiele wervingsgebieden Door de sterke economische groei in Polen is de aanbodzijde namelijk aan het opdrogen en zijn er zelfs in Polen arbeidstekorten ontstaan. In de afweging om zich op specifieke landen te richten wordt er rekening gehouden met verschillen en overeenkomsten op het gebied van cultuur, taal, arbeidsethos en economie. OTTO Workforce richt zich echter ook op (arbeids-)migranten die zich reeds binnen de landsgrenzen begeven. Momenteel wordt 40% van de arbeidsplaatsen gevuld met Midden- en Oost-Europese migranten die al in Nederland zijn. Ook zou OTTO Workforce graag statushouders inzetten. Het voordeel is dat zij al in Nederland zijn en er uiteindelijk zal worden bespaard op de kosten voor de bijstand.

Gemeente Westland

De arbeidsmigranten die door verschillende uitzendbureaus worden geworven of op eigen gelegenheid komen, vestigen zich voor kortere of langere periode in Nederland. Vaak is echter onduidelijk om hoeveel arbeidsmigranten het gaat en waar zij precies wonen. Dit vormt een probleem voor gemeenten, omdat zij hierdoor lastiger kunnen handhaven en gemeentelijke belastingen niet kunnen innen. Een goede registratie is daarom essentieel. Dit thema stond centraal in ons gesprek met Arne Weverling (wethouder) en Anna Jansen (senior-adviseur Dienstverlening en Arbeidsmigratie) van de gemeente Westland.

De gemeente Westland is een voorloper op het gebied van het registreren en informeren van arbeidsmigranten. In 2012 heeft de gemeente bijvoorbeeld een speciaal Informatiepunt Arbeidsmigranten (IPA) opgericht en in 2014 de ‘Best Gejat Prijs’ gewonnen voor de procedure versnelde groepsinschrijving van arbeidsmigranten, die door veel gemeenten wordt ‘gejat’ . Ook is de gemeente actief bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving. Momenteel dient een migrant zich direct na aankomst in te schrijven bij de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) om een BSN-nummer te krijgen en te kunnen werken. Hierbij wordt alleen het woonadres buiten Nederland geregistreerd. Pas als een migrant langer dan vier maanden in Nederland verblijft, dient hij of zij zich in te schrijven bij de Basis Registratie Personen (BRP) als ingezetene en wordt het actuele verblijfsadres bijgehouden. De gemeente Westland wil echter eerder zicht hebben op waar de migranten wonen. Zij heeft daarom samen met de gemeenten Rotterdam en Den Haag de pilot Registratie Eerste Verblijfsadres (REVA) in het leven geroepen, waarbij tegelijkertijd met de RNI het eerste verblijfsadres wordt geregistreerd. Aangezien de gemeente met de REVA nog steeds niet het actuele verblijfsadres van migranten weet, pleit zij voor de Registratie Actueel Verblijfsadres (RAVA). Kortom, de gemeente Westland wil een eerdere en actuelere inschrijving.

Stichting IDHEM

Een goede registratie is echter maar het halve werk. Met Stichting IDHEM spraken wij over hoe migranten het beste geïnformeerd kunnen worden over allerlei praktische zaken die van belang zijn bij hun aankomst en verdere integratie in de maatschappij. Stichting IDHEM richt zich zowel op Midden- en Oost-Europese migranten als op professionele en maatschappelijke organisaties die te maken hebben met Midden- en Oost-Europese migranten. Door de migranten te informeren en te adviseren probeert Stichting IDHEM de zelfredzaamheid en integratie te bevorderen. Hiertoe heeft de gemeente Den Haag, in navolging van de gemeente Westland, in 2014 het Informatiecentrum EU-arbeidsmigranten geopend. Het informatiecentrum wordt door vrijwilligers van Stichting IDHEM beheerd, die Midden- en Oost-Europese migranten in hun eigen taal kunnen informeren over praktische zaken omtrent wonen en werken. Daarnaast organiseert Stichting IDHEM sollicitatietrainingen en workshops om de Nederlandse cultuur beter te leren kennen.

Werkgevers & uitzendbureaus Westland

Vaak wordt gezegd dat werken het beste middel voor integratie is. Het hebben van arbeid is van belang voor de participatie en zelfredzaamheid. Veel Midden-en Oost-Europese migranten komen speciaal naar Nederland om te werken, waarvan een deel terecht komt in de glastuinbouw. Wij hebben met enkele werkgevers (Prominent telers: Hans van der Voort, Eric Zwinkels en Nic Groenmeijer) en uitzendbureaus (Jeroen van Leeuwen van NL Jobs, Frans van der Lugt van Westflex, Michael Mostert en Arie de Bruine van Tradiro) uit het Westland gesproken over de regelgeving omtrent seizoensarbeid en arbeidsmigranten. Tijdens dit gesprek uitten de werkgevers de belangrijkste knelpunten met betrekking tot de regelgeving, die volgens hen steeds minder aansluit op de realiteit van seizoensarbeid. Zo zou de Wet werk en zekerheid (WWZ) juist een averechts effect hebben. Door de transitievergoeding, de aanpassing van de periode waarna een vast contract moet worden aangeboden van 3 naar 2 jaar, en de ‘reset-periode’ van 3 naar 6 maanden, worden flexwerkers eerder ontslagen dan dat zij vast werk krijgen. De werkgevers zouden graag zien dat er in de cao aparte regels voor seizoensarbeid worden opgenomen.

Verder heeft ook de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) nadelige effecten, doordat werkgevers geen kosten (bijv. huisvesting, zorgverzekering, vervoer) meer mogen inhouden op het salaris. Allereerst verdwijnt het controlemechanisme omdat op de salarisstrook niet meer zichtbaar is waar iemand woont en hoeveel hij of zij daar voor betaalt. Hierdoor zullen arbeidsmigranten meer te maken krijgen met huisjesmelkers, waardoor de oude toestanden rond uitbuiting zullen terugkeren. Door het verbod op inhoudingen ontstaat er daarnaast een debiteurenrisico voor werkgevers die tevens huisvesting aanbieden. Over het algemeen wordt namelijk het salaris per week uitbetaald, terwijl de huur per maand wordt geïnd. Ook zou het zwarte geld circuit door het verbod op inhoudingen worden vergroot.

Basisschool de Regenboog

Naast het hebben van werk, is het spreken van de Nederlandse taal van belang voor integratie. Scholen waarbij migrantenkinderen staan ingeschreven, krijgen te maken met kinderen en ouders die de Nederlandse taal niet (goed) spreken. Een voorbeeld is basisschool de Regenboog, waarvan inmiddels 28% van de leerlingen uit Midden- en Oost-Europa komt. Wij spraken hierover met Manuel Veira (directeur van de Regenboog). Aangezien Midden- en Oost-Europese migrantenkinderen over het algemeen geen of gebrekkig Nederlands spreken, heeft de Regenboog speciale programma’s ingericht ter ondersteuning van de taalverwerving: een peuterspeelzaal gericht op taalontwikkeling, prismagroepen voor kinderen die korter dan een jaar in Nederland zijn en schakelklassen voor kinderen die al langer in Nederland zijn maar nog extra taalondersteuning nodig hebben. Sinds etniciteit in de gewichtenregeling als criterium voor het toekennen van extra financiering is afgeschaft, ontvangt de Regenboog een aanzienlijk lager bedrag om de taalprogramma’s te bekostigen. Het enige criterium van de gewichtenregeling is momenteel het opleidingsniveau van de ouders. Doordat het merendeel van de Poolse ouders relatief hooggeschoold is, wordt er geen hoger gewicht aan hun kinderen toegewezen en ontvangt de Regenboog geen extra financiering om bij hun de taalachterstand weg te werken.

Naast extra taalonderwijs voor kinderen verricht de Regenboog ook maatschappelijk werk: zij geven bijvoorbeeld Nederlandse les, sollicitatietrainingen en allerlei vormen van hulp aan ouders. Volgens de Regenboog kunnen dergelijke initiatieven om zeep geholpen worden doordat de gemeente externe bureaus subsidieert voor dezelfde taken. De Regenboog pleit er daarom voor dat er eerst gekeken wordt naar welke initiatieven er reeds zijn en deze eventueel gesubsidieerd of uitgebreid worden, alvorens er nieuwe projecten of beleid op wordt getuigd.

Stichting Barka

De integratie in Nederland pakt niet voor iedereen goed uit. Sommige (arbeids-)migranten raken aan lager wal en zorgen voor overlast. Stichting Barka is sinds 2012 in Nederland actief en zet zich in voor dak- en thuislozen van Midden- en Oost-Europese afkomst. Wij hebben gesproken met Magdalena Chwarscianek (coördinator van Barka Nederland) en Kasia Dojka (coördinator van team Den Haag). Volgens Stichting Barka vindt er een constante aanwas van daklozen plaats, doordat werkgevers en uitzendbureaus zowel werk als huisvesting aanbieden. Indien een werkgever geen werk meer heeft of het arbeidscontract niet verlengt, raakt de arbeidsmigrant tegelijkertijd de huisvesting kwijt. Hoewel dit niet in strijd is met de Nederlandse wetgeving, vindt Stichting Barka deze situatie inhumaan en ongewenst.

Stichting Barka stuurt bij de dak- en thuislozen aan op twee mogelijkheden. Voor dak- en thuislozen die in Nederland willen blijven en hier nog enige kans van slagen hebben, richten zij zich op integratie. Vanuit het Social Economy Centre in Utrecht wordt zowel op individueel niveau als in groepsverband training, advies en ondersteuning gegeven om de integratie te bevorderen. Bij de dak- en thuislozen die geen perspectief in Nederland meer hebben, wordt aangestuurd op terugkeer naar het land van herkomst, ‘reconnection’ genoemd. In het land van herkomst worden deze dak- en thuislozen ondergebracht bij familie, een woongemeenschap, afkickkliniek of herintegratieprogramma. Om dit te faciliteren is er wel een sterk support system nodig in het thuisland, waardoor deze aanpak niet voor iedere bevolkingsgroep mogelijk is.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Working Apart Together: ieder voor zich maar ook (een beetje) samen

Monique Kremer, staflid WRR

Zoals de naam al zegt zijn zzp’ers ‘zelfstandig’ en ‘zonder personeel’, maar steeds vaker werken ze wel graag samen. Soms omdat er te veel werk is, soms omdat de opdracht verschillende expertise vraagt. Volgens een onderzoek, halverwege 2015 van TNO/CBS, huurt een kwart van de zzp’ers weer anderen in. Zo ontstaan langzamerhand nieuwe vormen van samenwerken, buiten de standaard arbeidsorganisatie om. UNIT-2 in Leiden is daar een mooi voorbeeld van. We gaan op bezoek bij de oude wolfabriek, waar de zzp’ers zijn gevestigd.

Het WAT- concept

In het gebouw van woningbouwvereniging Portaal, liepen we eerst per ongeluk de dak- en thuislozenopvang in. Maar nu zitten we rustig aan stevige houten tafels met industriële allure in een door het ROC gerund restaurant. Eric Went, journalist en initiatiefnemer van UNIT-2, vertelt: “Toen ik voor mijzelf begon was ik op zoek naar een werkruimte. Daarvoor was ik dienst bij een grote toonaangevende organisatie, gespecialiseerd in bedrijfsjournalistiek. Maar toen het magazine dat ik daar maakte voor het ministerieWAT ieder voor zich maar ook een beetje samen van OCW werd wegbezuinigd, was dat het moment om voor mezelf te beginnen. Ik had gehoord dat hier ook een communicatievleugel zou komen, maar de ruimte die ze me aanboden was voor mij veel te groot en te duur. Toen ben ik om me heen gaan vragen en heb nog zeven andere zzp’ers gevonden die met me wilden huren, maar ook iets meer dan dat. We noemden dat toen het WAT concept – working apart together. Ieder voor zich, maar soms ook samen. Dat was 2007.” Inmiddels is Went hoofdhuurder van de unit waar zo’n 39 communicatieprofessionals werken: marketingspecialisten, vormgevers, journalisten, illustratoren, etc. Volgens Syntens,, het voormalige innovatiecentrum van het ministerie van Economische Zaken, is UNIT-2 de grootste groep zzp’ers die ook echt samenwerkt.

Hoe werkt dat precies? Went: “Voorheen kwamen opdrachten bijna altijd binnen via het netwerk van de verschillende deelnemers. Maar tegenwoordig wordt ook steeds vaker het collectief benaderd. Dan bepalen we, afhankelijk van de aard van de opdracht, wie hoofdaannemer wordt, en die organiseert de samenwerking. Wie aanschuift moet zelf ook het gevoel hebben dat hij of zij echt wat te bieden heeft. Dat is het verschil met een gewone werkorganisaties, daar moet je namelijk samenwerken. Dan komt er een flauw compromis tussen de journalist en de vormgever. Dat kan bij ons niet eens. Iedereen zit er tot de nek toe in met zijn of haar eigen bedrijf en wil het maximale eruit slepen. Overigens is het ook weer niet zo dat we automatisch met mensen binnen Unit-2 samenwerken: als niemand binnen de groep geschikt is, dan zoeken we iemand daarbuiten. Kwaliteit gaat voor.”

Het concept gaat je niet redden

“Om te kunnen samenwerken moet je wel goed weten wat iedereen kan. Daarom organiseren we bijeenkomsten zoals ‘Unit-2 Share ‘, waar mensen in vijf minuten iets vertellen over hun expertise. En ‘Unit-2 Help’, waar mensen aangeven waar ze advies over willen. Ik geloof in fysieke ontmoetingen. Online kun je niet goed sparren en het helpt tegen de eenzaamheid van het zzp-bestaan. Doordat we fysiek bij elkaar zitten ken je bovendien elkaars kwaliteiten beter. Hoe vaak is wel niet geprobeerd om innovatie af te dwingen door in oude industriële gebouwen mensen bij elkaar te zetten? Daar komt echt niet altijd leven in. Je moet er wel wat voor doen, het is hier niet alleen een werkplek.”

Dat betekent waarschijnlijk ook dat niet iedereen geschikt is om mee te doen met Unit-2. Zijn er nog specifieke eisen? Went: “Wij vragen mensen meestal niet, mensen komen naar ons toe. Dan kijken we naar drie dingen: of iemand iets beter kan dan wat we al in huis hebben, of iemand op z’n eigen benen kan staan ­ onze stelregel is ‘het concept gaat je niet redden’ – en of iemand open staat voor het experiment. Niet iedereen hoeft in dezelfde mate mee te doen. Ook in de mate van betrokkenheid willen we graag diversiteit. Als mensen alleen met ons meedoen omdat ze thuis verpieteren, dan is dat prima. Anderen komen weer heel weinig. Die zijn vaak op pad en hebben een groot netwerk buiten de deur. Ook goed voor ons. Maar als je je wil aansluiten, moet je wel open staan voor onze werkwijze.”

Solidariteitsgevoel

Een voor de hand liggende vraag is of zo’n nieuwe, losse werkorganisatie als Unit-2 ook nieuwe vormen van solidariteit vormgeeft. “Zzp’ers zijn natuurlijk zelfstandig”, vertelt Eric Went, maar er is bij ons wel een beetje een solidariteitsgevoel. Op het moment dat iemand weinig werk heeft, heb je toch wel de neiging wat aan haar of hem door te spelen. Laatst twijfelde iemand of hij wel verder wilde gaan als zelfstandige, hij had echt te weinig werk. Toen hebben we ons netwerk ingeschakeld en na een paar maanden was hij weer op de rails. Maar iemand moet het wél vertellen. Zzp’ers komen er niet graag voor uit als het slecht gaat. ”

Gemeenschappelijke verzekeringen of een broodfonds is echter een brug te ver. “We hebben wel het schaalvoordeel om zoiets gezamenlijk te regelen, en natuurlijk hebben we het wel eens over pensioenen en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Maar dat verdwijnt altijd snel naar de achtergrond. Als het gaat om ‘iets vastleggen’ of ‘met z’n allen iets regelen’, dan zijn de meeste zzp’ers afhoudend. Ze hebben zoiets van ‘ik regel het zelf wel’. ”

Went ziet wel steeds meer samenwerkingsverbanden ontstaan. “De oude arbeidsorganisaties worden steeds kleiner. Kijk maar naar mijn oude werkgever, die was bij oprichting vernieuwend en decennialang toonaangevend. Maar dus helemaal gespecialiseerd in bladen maken. In de wereld van media is dat nu te weinig; je moet van meerdere markten thuis zijn, en het werk verandert razendsnel. Toen ik net begon, kreeg ik 70 procent van mijn inkomsten via één opdrachtgever. Nu heb ik er juist heel veel, maar veel kortere opdrachten. Nadeel is dat je zo geen langdurige relatie kunt opbouwen.

Graag zou UNIT-2 meer zelf ontwikkelen, eigen producten in de markt zetten. Went: “We hebben al een mooi concept bedacht. We gaan met een mediateam naar een congres of bijeenkomst en maken een interactief digitaal verslag in tekst, beeld en film dat de volgende morgen al klaar is. Dat is een enorm succes. We willen het idee alleen inhoudelijk en technisch verder verbeteren, maar hebben de tijd er niet voor. Bij ons gaat research & development langzamer dan in een standaard arbeidsorganisatie. Want bij een zzp’er gaat het eigen bedrijf altijd voor.”

TNO/CBS (2015). Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

To work or not to work? Lessen van Diderot

Afscheidscolumn van Philip Post – stagiair WRR

Vandaag de dag horen we steeds meer geluiden over een toekomst waarin werk een veel minder centrale rol in ons leven zou kunnen spelen. Dankzij complexe algoritmes en slimme robots, wordt het wellicht mogelijk dat een groot deel van de arbeid door machines wordt overgenomen. Een denker die al in de 18e eeuw nadacht over de kansen en risico’s van een samenleving waarin werk geen centrale rol meer speelde, was de Fransman Denis Diderot (1713-1784). In zijn oeuvre zien we een spanning terug waar we al snel mee te maken zouden kunnen hebben. Deze spanning houdt in dat werk aan de ene kant iets is dat we tot een minimum zouden moeten beperken, maar dat het aan de andere kant bepalend is voor de ontwikkeling van iemands vaardigheden en karakter.
De visie dat werk een noodzakelijke activiteit is waar we in feite zo min mogelijk tijd aan zouden moeten besteden, komt naar voren in het Supplément au voyage de Bougainville (1772). Deze tekst bestaat uit gesprekken die plaatsvinden tussen de inwoners van Tahiti en enkele Europese scheepvaarders die voet zetten op het eiland. Diderot beschrijft hoe werk daar een noodzakelijke activiteit is die de mens in staat stelt om aan bepaalde behoeften te voldoen. Werk wordt gezien als iets dat een goed leven mogelijk maakt, het is absoluut geen doel op zich. Een van de eilandbewoners verklaart dan ook stellig in een gesprek met een van de Europeanen dat:

“we have no wish to exchange what you call our ignorance for your useless knowledge. Everything that we need and is good for us we already possess. Do we merit contempt because we have not learnt how to acquire superfluous needs? When we are hungry, we have enough to eat. When we are cold, we have enough to wear. You have entered our huts; what do you suppose we lack?”.(1)

Dit citaat maakt duidelijk dat arbeid vooral dient om te voorzien in bepaalde basale behoeften, maar dat het voor de eilandbewoners onzinnig is om te blijven werken om te kunnen profiteren van allerlei ‘overbodige behoeften’. De eilandbewoner vervolgt dan ook door zich af te vragen wanneer men überhaupt tijd heeft om te genieten als men constant overbodige behoeften moet najagen. Hij stelt: “We have kept our annual and daily labours within the smallest possible limits, because in our eyes nothing is better than rest”.(2) Werk is in deze visie iets waar we vooral zo min mogelijk tijd aan zouden moeten besteden.
Maar op andere plekken in Diderots oeuvre komt juist naar voren dat werk ontzettend belangrijk is voor de ontwikkeling van je eigen competenties. Deels gaat het hierbij om het aanleren van vaardigheden die je in staat stellen om een bepaald beroep uit te oefenen. Zo schrijft hij dat “in every art there are many particulars concernings its material, its instruments, and its application which can only be learned through practice”. Het onder de knie krijgen van een ambacht gebeurt niet in een paar dagen, maar vraagt om een lange periode van toewijding, waarin door constant vallen en weer opstaan men uiteindelijk de complexiteit van een vak beheerst en zo zijn eigen talenten ontwikkelt. Bovendien: door werk vorm je ook je eigen karakter en leer je allerlei sociale vaardigheden. Dit sluit goed aan bij de opvattingen van Diderots tijdgenoot Jean-Jacques Rousseau. Volgens hem was het doel van arbeid niet alleen zelf iets te creëren, maar vooral ook om zelf iets te worden. Het leren van een ambacht stelt je niet alleen in een staat om een bepaalde techniek en methode te beheersen, maar stimuleert ook de sociale en morele ontwikkeling van een individu.

Bovenstaande maakt duidelijk dat Diderot een ambïgue houding ten opzichte van de functie van werk heeft. Aan de ene kant is het een activiteit die we alleen maar uitvoeren omdat hij hoogst noodzakelijk is, en die we daarom tot een minimum zouden moeten beperken. Maar aan de andere kant maakt een bestudering van Diderots oeuvre duidelijk dat werk altijd ook andere functies heeft gehad, het draagt ook bij aan de ontwikkeling van iemands vaardigheden en sociale capaciteiten. Dankzij steeds sneller gaande technologische ontwikkelingen, is het wellicht denkbaar dat we steeds minder hoeven te werken om in onze behoeften te voorzien. Het bestuderen van het oeuvre van een denker als Diderot kan ons, bij het nadenken over de Toekomst van werk, gevoelig maken voor de vele functies die arbeid altijd al heeft gehad. En het zet aan na te denken over nieuwe activiteiten waarin de verschillende functies van werk terugkomen.

Noten:
(1) Denis Diderot (1992) Diderot. Political Writings, redactie John Hope Mason en Robert Wokler, p. 43
(2) Ibid.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen